Het toverbos, take 2

toverbos
Het regenwater wast de in elkaar overvloeiende lagen schoon. Maar de nevelige stukjes uit het verleden bedekken het heden. Het verbrande, het vergane, de dood met zijn donkere vegen as.

In de grijze auto in het grijs van de binnenvallende schemering. De regen tikt zachtjes op het dak. Ik lig in de armen van de man binnen zijn felblauwe blik. In een afgesloten stuk wereld dat de realiteit niet kan verdragen. Ik til mijn hoofd even op om naar het donkere filigraine patroon buiten te kijken. Veeg met mijn handpalm het condens van het zijraam weg. En door het zacht gewelfde glas zie ik de vochtige, felle herfstkleuren van een boom in de ondergaande zon.

Dan verspringt het beeld, de afstand veranderd.
Ik sta in de keuken, buiten ruist een gordijn van een warme zomerregen neer. Ik staar naar de plek waar ik hem voor het laatst heb zien staan. Nadat ik boos had geschreeuwd, me verslikt in mijn tranen. Nadat hij had weggekeken, zijn ogen moe en grijs. Hij liep het pad af met de bekende kadans in zijn stappen, licht aarzelend als op glad ijs. Onder een boom in de schaduw van dicht sappig groen bleef hij even staan. Hij keek even naar boven en boog toen zijn hoofd.

Dan lig ik op een steiger in de hete zon. Mijn voeten bloot, mijn nette jasje gekreukt en vlekkerig van het korstmos. Het riet ruist zachtjes in de wind, de lichtgolven vloeien over mijn gezicht. Na een aantal voorbijgangers die met zware treden waren langsgelopen, voel ik een lichte, onbestendige trilling van het droge hout. Ik glimlach en strek me lui uit. Hij, eindelijk! De trilling blijft, ik spits mijn oren om door het ruisen van het riet te dringen.
Ik voel de de zweetdruppels op mijn bovenlip. Dan spring ik op en zie dat ik alleen ben. Uit de boom voor mij vliegen de vogels verschrikt op.

Ik heb kleuren leren zien, ook door hem, die man. Ik heb mezelf waar kunnen nemen zoals ik echt ben.
En nu, nu kan ik me alleen herinneren aan hoe het was toen ik de kleuren nog kon zien.

Ruitenkoning

Ze liepen snel over het natte asfalt naar het fel verlichte gebouw, de zware druppels spatten uit elkaar in duizenden diamanten. Maar voordat ze de heldere cirkel binnenstapten, moesten ze nog de schaduwen passeren. Een man die aan de muur geleund stond, met een aansteker in zijn hand en een sigaret. Een andere zittend op een van de natte plastic bankjes onder het afdakje, met het gezicht weggedraaid. Onbeweeglijk, donker.
Het regenwater liep langs de vlekkerige bruingele muur, lekte en liep uit alle openingen.

Hier was iets blijven staan voelde ze, een gat in de tijd midden in de kleur, het lawaai, het licht en de glanzende, gladde gezichten op de reclameposters. Ze voelde hoe ze haar adem inhield en naar de grond keek. Ze kende de schaduwen heel goed, kwam er ook geregeld.
Maar nu was ze hier samen met de jongen. Hij wilde kaarten spelen, dat betekende dus dat ze kaarten gingen spelen.

Ze stapten abrupt uit het donkere ruisen van de snelweg toen de glazen deuren achter hen dichtgingen.
De intense geur van te lang getrokken koffie en verschaalde saucijzenbroodjes sloeg haar tegemoet.
Ze merkte dat ze het moeilijk kon bevatten en bleef in een hoek staan. Speelgoed, zei ze. Hier.
Huiverend voelde ze dat het water uit haar haar langs haar nek liep.
Ze hurkte op de grond en keek tussen de stoffige pluchen dieren en gekreukte poppen. Ja, kaarten. Ze veegde het stof van de plastic doos af met haar natte handpalm.
Met de jongen liep ze naar de kassa.
Achter kogelvast glas zat er een man op een troon, hij deelde zijn bonnetjes uit met de rust en de eeuwige glimlach van een wijze koning.

Buiten voelde ze zich opnieuw heel veilig.
Ze stapten vrolijk terug naar hun kleine rijk, naar de auto die geparkeerd was voor een lange muur vrachtwagens.
Achter de blinde ruiten zag ze zwak blauwig licht en vermoedde ze blikken.
De mannen die buiten rondliepen groetten vriendelijk, dwaalden traag door de regen, stonden te bellen. Huiselijk.
De vrachtwagens steunden in het donker, motoren aan. Het leek een stal vol met grote, krachtige dieren die zuchtten en bewogen in hun slaap.

Summertime and the livin’ is easy

De wind knalde de zware kerkdeur dicht. De binnenste klapdeuren knarsten zacht in de tocht, maar verder was het helemaal stil.
Verzadigd geel en oranje licht tekende regelmatige patronen op de lichtgrijze stenen vloer.

Ik zat op een stoel in de eerste rij en keek naar het het brede zijschip van de kerk. Naar de geglazuurde keramiek op de grofgemetselde stenen muren.
Ik dacht na.
Het was begonnen als een intelectueel spelletje, maar nu was ik helemaal verstrikt geraakt. En ik kon het niemand in de schoenen schuiven want eigenlijk had ik het van het begin af geweten. Ben er met open ogen ingelopen.
En nu kwam het neer op inhouden, onderdrukken. Net als met de bekende hunkering naar zoet, naar het eindelijk openschuiven van de glazen deur van de koelkast. Naar het ritselende gladde papier. De honger naar de zacht smeltende stukjes chocola. Die ik met mijn lippen loshaal om met de tong tot de vloeibaar wordende koude binnenkant te komen.

Ik hoorde de jongen naast mij zeggen – “We moeten ook nog tomatensaus hebben voor de pizza…”
De man was het daar helemaal mee eens, maar de jongen bleef twijfelen. Het moest wel de juiste soort zijn.
“Ik lust geen stukjes tomaat in de saus weet je.”

Ik glimlachte om al die verrukelijke heiligschennis. Wellustig, gulzig ging ik terug naar het veelvoud van smaken – de zaligheid van wederzijds begrip, het kostelijke van elkaar leiden naar nieuwe diepte. Ik keek op naar Sint Martin, maar hij glimlachte en ik vroeg hem niet om vergeving.

“En ham, zeker geen salami. En ook geen champignons”
Even werd ik verblind door het felle licht van buiten.
Twee oudere mannen duwden de klapdeuren open en kwamen binnen, slank, perkamenten huid. Een in een strakke korte broek en kleurige sokken, zongebruinde benen, een tikje verlept. Met een pet en een zonnebril. De ander in een nette lichte broek. Ze keken naar het groepje dat er zat en gingen zachter praten, op grotere afstand van elkaar lopen. Ik dacht te zien dat ze elkaars hand loslieten, een beetje ongemakkelijk.

De jongen stond op en klom op de verhoging in het middenschip. Hij kwam dicht bij het hoogaltaar en ging zitten op een van de fluwelen stoelen.
Ik schrok en wilde zeggen dat hij dat niet moest doen, maar zag toen dat het precies zo hoorde.

Het woord

Ik voel dat mijn rechterschouder pijn doet. De arm wil iets. En de linker wil niet meedoen.
Ik denk aan iets anders en knijp mijn ogen dicht, maar deze keer lukt het niet. Al die dingen die moeten, alles wat ik om me heen zie, de lichtflitsen en stemmen en beelden die ik zo graag wil binnenlaten kunnen me nu niet meer redden.
Onwillig open ik mijn ogen een heel klein beetje en kijk.

Het kleine meisje liep. Ze wilde haar pas vertragen, maar de man trok en keek streng. Hij trok hard aan haar rechterhand, zij struikelde er onwillig achterna. Zweterig plakten haar vingers aan de hete handpalm met de diepe, harde groeven. Ze verstopte haar blik, keek eerst naar de grijze straatstenen, het gras dat tussen de spleten groeide. Om maar niet. Om niet te kijken naar de donkerrode, gerimpelde huid. De kleine, bleekblauwe en rood omrande ogen. Onrustige ogen, smekend bijna. Maar ze wist wel beter. Wist dat ze zich voor die snijdende blik moest verstoppen.

Ik lig op mijn rug en draai en wrik, mijn hielen stevig op de grond, mijn voeten. Mijn hoofd alweer weggedraaid, blik weg. Mijn armen. Die willen niet, zwaar. Die doen niet mee. Met de linker pak ik mijn zachte hals alsof ik hem moet beschermen.
Ik wrik en draai, voel dan eindelijk mijn rechterarm naar voren schieten.
Iets zwaars, het lijkt heel zwaar. Mijn hand eerst zacht, bijna strelend, bijna teder, op de rem.
Maar daarna sterk en vol, en de last blijkt niet zwaar. Ik duw en stoot, het is helemaal logisch, klopt precies.
En een woord. Er is een woord.

Het meisje stopte voor de deur.
De man morrelde aan het slot. Het duurde lang, en ook weer veel te kort.
Toen zwaaide de deur open en zei hij met een hese, raspende stem: “Nu naar binnen, jij”

Dan weet ik wat het woord is.
Ik schreeuw het uit met een stem die ik niet herken.
Neeeee!

Teken van leven

All the flowers that you planted, mama
In the back yard
All died when you went away
Sinéad O’Connor, Nothing compares to you

leven

De avond was nog niet eens begonnen maar ging nu al mis. Ze wist alleen nog dat ze met haar boodschappentas de bus uit was gestapt en snel de weg over heeft willen steken. En na de piepende remmen en de knal, een onbekend opvlammende pijn zat ze in de wachtkamer van het ziekenhuis. Ze keek naar de opgedroogde modder op haar broekspijpen en voelde een angstig borrelen in haar buik. Die geur, dat hulpeloze wachten. Net als toen met haar moeder.

Toen was ze ook nog boos – die vrouw bleef ziek en liet haar alles zelf opknappen. Lag hulpeloos in haar bed in de smalle nis, onder het laken kwamen allerlei slangetjes uit. Het laken bolde helemaal niet alsof ze al was verdwenen.

Ze kwam er liever niet op bezoek. Ze was bang voor de dikke vrouw die dichtbij de deur van de grote zaal lag. Bang voor de slangetjes, bang voor het grijze gezicht van haar moeder en haar gekwelde glimlach. Als ze maar weg bleef, kon ze doen alsof zij zelf de moeder was, voor haar zusje en vader zorgen.

Maar op die dag rende ze snel door de lange gangen, haar keel dichgeknepen door schuldgevoel en pijn.
De dikke vrouw op haar bed aan de deur keek nijdig, maar dat maakte niets meer uit. Het was tijd om weer gewoon dochter en moeder te zijn.
Met lange stappen liep ze naar het andere uiteinde van de zaal, naar de nis met de melkwitte glazen muur en bleef trillend staan.
Er was iets onomkeerbaars gebeurd, maar ze kon er niet meteen de vinger op leggen. De lampen stonden aan, de lijnen te strak, de kleuren in vakjes verdeeld.
En toen pas zag ze het – het bed aan de rechtermuur was leeg en perfect opgemaakt.

De hoofdzuster keek geschrokken – had niemand haar kunnen bereiken?
Toen wist ze dat alle kansen waren verspeeld.

Verraad

verraad
De jongen had in de nacht geijld, wangen vuurrood, donkere schaduwen onder de lange wimpers en heet dauw op de bovenlip. Hij wilde dat ze naast hem lag, ze kon de angst voor de koortsige waanbeelden wegnemen. Hij klampte zich vast aan haar als aan een anker. Ze had doodstil naast hem gelegen en naar de teddybeer met een grijze slaapmuts en zijn nek in een merkwaardige hoek gekeken.

Buiten was ze duizelig geweest na de lange slapeloze uren.
Ze voelde haar woorden over elkaar buitelen, de zinnen struikelend uit elkaar vallen.

Aan de kassa pakte ze haar spullen in.
De man achter haar zette met een klap een paar blikjes bier op de band. Luidruchtig liet hij zichzelf zien, zong hardop met de kwelende supermarktmuziek mee, een subtiele zwaai in zijn heupen in zijn persoonlijke rumba. Ze keek naar hem, dan naar haar broccoli yoghurt speltbrood tofu. Waar lag het verschil?

Ze besefte met volle kracht dat het maar een keuze was. Hij had gekozen en liet het zien aan iedereen. En zij wilde zichzelf het liefst verstoppen.
Niet één boek uit alle stapels die ze had gelezen hielp haar om met opgeheven hoofd te lopen. Maar het kijken naar deze man wel.
Het was schaamte die haar knevelde – voor het kleine leventje dat ze leidde, voor de zielige dingetjes die ze deed. De domme kortzichtige beslissingen die ze maakte. Voor de onbetekenende pijn en verdriet. Ze verborg haar blik, voelde dat ze ontdekt kon worden, moest van zichzelf onderduiken als een landsverrader.

Aan de deur keek ze tegen de zon in die gloeiend achter de kerktoren opkwam en alles in een diamanten nevel wikkelde.
Een knappe oude vrouw gehuld in zwart bont glimlachte wreed tegen de dronken man die naar een sigaret uit het pakje hapte. Hij gromde teder naar zijn twee blij rondspringende chihuahua’s.
Toen de vrouw dichterbij kwam, verstopten de honden zich achter hun baasje. Zij strekte haar magere hand met de geverfde klauwen uit naar de lichtere van de twee en zei – “En deze, wat doet deze als u hem roept”. De man lachte hardop en dan verstikte een hoestaanval zijn lach.

Sound of music

sound of music
Wat was er met de tijd gebeurd, ze trok zich lang als een kauwgom, en verschrompelde dan weer. Net als haar handen, de perkamenten huid met donkere vlekken.
Ze keek naar haar vingers – waar was haar trouwring toch? Ze zou dat meisje moeten vragen dat haar altijd eten bracht. Of heeft zij hem juist gestolen? Haar rijkdom. Alles wat er nog restte van haar leven met Franz.
Franz, Franz, zijn blauwe, priemende blik. Toen voelde ze hoe die blik onder haar rokken kroop, ze had er nog om kunnen lachen, ze wierp haar hoofd in haar nek en draaide zich gewoon om. Ze had elke keer straf van haar vader gekregen, hij wilde dat ze met een Duitser trouwde. Van hem moest ze meer naar Franz glimlachen, maar ze had het mooi niet gedaan.

Ze giechelde en begon zachtjes te zingen, zo had ze gezongen in de nacht met de jonge maan. En František had accordeon gespeeld, de zacht glimlachende jongen met de zwarte lokken. Zijn krachtige schouders omhelsden het instrument en met zachte vingers streek hij over de toetsen. Zijn zachte vingertoppen streken over haar gezicht. Hij verkende haar en ze opende zichzelf als een roos onder zijn warme blik.

Ze opende de lade en keek of haar trouwring erin lag. Er lagen vergeelde foto’s, papiertjes met getallen, namen. Ze herkende de namen niet. Ze dacht aan de brieven van Franz, uit al die verre koude landen, Rusland op het laatst, met zwarte strepen van de censuur. Hoe ze elke keer schrok als ze zijn regelmatig handschrift zag. Terwijl zij de gelukkige was, de uitverkorene – er waren zo veel weduwen.
Ze had de brieven elke keer snel weggestopt en naar haar kleine meisje gekeken. Haar haar werd elke dag donkerder, maar dat kon niet waar zijn. Ze had lichte ogen, ze was van Franz.

Ze voelde hoe alles haar ontglipte. Haar verhaal ontglipte haar, het verhaal over haar ideale man, Franz, haar twee mooie dochters. Haar kleindochter had ook donkere krullen, ze had haar dingen opgebiecht die…
Boem, de deur knalde. Ze werd wakker, was ze weer aan tafel in slaap gevallen. Ze zag het meisje, of vrouw, en toen ze opnieuw keek, stond er een bord en een kop voor haar. Ze pakte de lepel, haar vlekkerige handen maakten vanzelf een beweging. Ze schudde ze even om de vlekken weg te krijgen, maar ze bleven hardnekkig. Ze roerde in haar kop, proefde de lauwarme zoete koffie. Zoet. Zoet waren zijn lippen.
Ze wilde František vergeten. Al 75 jaar. Wegbranden uit haar herinnering. Maar ook al was het merendeel van de herinneringen weg, hij bleef. Kwam elke keer terug, nog sterker en mooier. In de ogen van haar dochter. Of was het haar kleindochter. Feniks heette zoiets, daar had ze op school over geleerd. De beste van de klas was ze, maar van haar vader mocht ze niet verder leren. Al die Tsjechische jongens zouden haar bederven. En die accordeonist, die was de ergste van allemaal.

Ze keek door het raam en zag het licht achter de beuken vervagen. Zoals het maanlicht toen, in die nacht. Toen het ochtend werd, kwam haar vader om haar te vertellen dat Franz om haar hand had gevraagd. Het was een feestdag, dat zei hij.
En daar stond Franz, zijn lippen een streep. Hij had haar pijn gedaan, jaloers met een zwarte blik in zijn ogen. En zij gaf zich over, de klank van de accordeon in haar oren.

Paper moon

paper moon
Ze stapte de ruimte binnen, verblind door het contrast met de lichte zonnige dag buiten. Knipperde kort en ingetogen, hoopte dat ze verder niet opviel.
Haar smalle tengere lichaam was helemaal verstopt achter de hooggesloten blouse en de rest van de te ruime zware kleren. Ze verdween daarin, haar tegenover zou de indruk krijgen dat er helemaal niets meer resteerde achter de scherpe stroeve vouwen in het stof.
Afstand wilde ze, een kloof tussen haar en de wereld die dreigde met te snelle oordelen en alle kracht en levenslust uit haar had gezogen.
Ze dacht aan haar eenzame avonden, als ze even veilig was. Aan haar perfecte keuken, de zoemende lege koelkast. Het zachte geluid van de TV, dan de schoten, paarden die galoppeerden, het meisje met de banjo en de sheriff die in het stof liggend achterbleef. Het gevoel van veiligheid en controle, van leegte, van puurheid.

De grote man in spijkerbroek knipoogde naar haar, ze schrok van zijn coyotelach.
Maar ze vocht, ze zou niet opgeven – ze beet haar tanden op elkaar en glimlachte terug, correct, afstandelijk als een masker. Ze had zich al lang teruggetrokken in een hoekje van haar geest.
Ze hoopte dat haar dikke laag makeup nog goed zat, dat haar dunne haar perfect in model was. Vouwde haar leliebleke handen.
Iedere stap deed pijn en ze herinnerde zich hoe ze in haar droom door de straat had gelopen waar ze geboren was. Ze zocht het huis, maar kon hem niet meer vinden. Sneller en sneller liep ze, keek naar de gevels, naar de boos afwijzende muren. Ondoordringbaar was de stilte, de watervallen licht uit de straatlantaarns.

Ze huiverde ondanks de droge hitte buiten en trad de wereld nog een keer tegemoet.

Lopen op leven en dood

lopen
Ik liep weg. Eindelijk weer alleen, na twee weken echt mijn best te hebben gedaan. Ik rende de helling op en kreunde, zuchtte, eerst zacht, daarna harder. Dan borrelde de lach op, bijna triomfantelijk – ik heb het gedaan, geen ruzie, afstand, vriendschap met een dosis stille irritatie. En blijdschap dat ik het nooit meer hoef op te lossen.

Ik liep en liep, schortte mijn rok op en liep. Aan het strand was de zon al ondergegaan, hier op de heuvel scheen hij nog volop. Ik liep de stoffige weg af, langs de olijfboompjes, de stille huizen. Ik keek naar mijn sterke benen, de huid glanzend zacht als zijde tegen het verwassen stof van de rok. Ik voelde mijn voeten zacht zwaar licht stappen, de korrelige zolen van mijn sandalen. Ik liet mijn heupen zwaaien en voelde eindelijk mijn schouders zacht zwaar, de brok in mijn keel oplossen. Ik was voorlopig alleen. Ik was.

Ik liep en ik liep. Langs de weg, de auto’s zoefden snel voorbij. Ik hoorde steentjes kletteren op het harde asfalt achter mij. Draaide me achteloos om, in gedachten. Zag een maangezichtje achter de struiken, een jongen, toen nog twee. De brutaalste riep “hi” en gooide nog een handvol stenen. Ik lachte en zwaaide terug. Nog lang hoorde ik het. Zijn stem. Wanhopig verveeld.

Ik liep. De geur van stof en uitlaatgassen. Ik keek naar de grond. Was ik, nu even, voorlopig. Maar ook een algemeen iets. Een vrouw die loopt. In haar kielzog kinderen, mannen, kookgerei, gordijntjes, plantenbakken, kerstversiering, dieetpillen. Nagellak. Luiers. Bloed. Zaad. Geboorte. Leven. Liefde. Ziekte. Gezondheid. Dood. Alle componenten van het leven.
Ik liep. Rook de dood in de greppel langs de weg. Weggegooide koffiebekers, blikjes, zakjes. Stukjes leven. Nu dood. En ook dieper, dode diertjes, dood gras. Stenen. Verlaten huizen. Waar het eens had gegonst van het leven.

Ik liep langs de borden waar aankondigingen hingen van mensen die onlangs waren overleden. In mooie grote hoekige Griekse hoofdletters. En met foto’s. Een glimlachende vrouw met een mager gezicht en donker haar. En daaronder een man. Ik ontcijferde zijn naam – die naam. Ook hier. De naam die in zijn grafsteen ingegrift zou worden was ook in mijn hart geëtst. Want liefde. Die had ik gekend.

Nu was de zon ondergegaan. De maan al hoog, bijna perfect vol, een klein stukje ontbrak nog. En daaronder de zee, prachtig wit als slagroom.
Ik voelde het zweet aan de achterkant van mijn nek, langs mijn zij, t-shirt doordrenkt. Ik voelde mijn vochtige huid, heet en koud, voeten brandend. Ik likte mijn droge lippen, dorstig.

Ik liep de berg op, nu moest het ineens snel. De bergen in vuur, de hemel rood. Ik riep en lachte hardop, het was prachtig.
Ik rende de helling af. En op dat moment kwam er een roedel boze honden op mij af, wild blaffend. Ik raapte stenen op en schreeuwde, even draaiden ze om met staart tussen hun benen, ik liep achteruit, draaide mijn rug niet naar hen toe. Toen begon de aanvoerder opnieuw, de rest deed mee. Ik stapte langzaam achteruit, riep krijste en gooide met stenen. Dan vond ik een stuk plank waarmee ik kon zwaaien. Ze werden gek van woede, ik ontblootte ook mijn tanden en schreeuwde. Zwaaide. De plank brak. Maar genoeg stenen overal. Het duurde lang voordat ze afdropen. Tenminste voorlopig.

Ik keek naar de bergen, naar de afgebroken platen, rotsen die zijn gaan rollen en gewoon ergens zijn blijven liggen. Het leek op een groots project waar men enthousiast aan was begonnen en dat toen is blijven liggen. En dan kwamen eerst de kleine plantjes, daarna de wilde struiken en boompjes. En zo is het gebleven. Voorlopig.

Hommage aan de vrouw

homage_aan_de_vrouw-1
De intense kleur van de paprika laat me zachtjes sidderen. Ik schil de aardappels, denk aan haar droge rauwe handen die over mijn wang strijken. Zo veel aardappels hebben ze in koud water laten glijden. Zo veel keren de borden afgewassen. Zo veel keren de tafels gedekt en de kinderen geroepen – eten.
Daarvoor heeft ze hard moeten werken. Netten verstellen. Het zwarte bijtende teer op de vlonders van de vissersboten smeren. Zij, een jonge vrouw uit de bergen, aangespoeld bij de koude zee. Met haar baby’s, met haar oude schoonvader, haar jonge broertjes. Tuinen omspitten. Bedelen voor elk stuk brood.
Ik pak het mes en snijd de groente in stukjes – ui, selderij, wortel. Dan de linzen. Water, zout. Voor een soep, net als de soepen die zij ontelbare malen heeft gemaakt. Misschien in de jaren na de oorlog met veel meer water. Hopend dat haar meisjes niet ziek zouden worden. Wachtend.
Ik wacht dat de soep gaat koken. Zoals ik heb gewacht. Zoals zij heeft gewacht. Want geduld. Zonder geduld ging niets. Geduldig moesten de erwtjes gedopt, de kersen geplukt. Het brooddeeg moest rijzen.
Wachten op de eerste beweging van de baby in de buik. Op de was die in de zon hangt te drogen. Op het moment dat de weeën zouden inzetten. Op het kind dat een volwassene aan het worden is. En op de man, op alle mannen die weg waren en misschien terug zouden komen. Om gevoed te worden, gewassen. Terug van hun werk. Terug uit de oorlog. De vaders, de broers, de zoons. De mannen.
Het mes glijdt uit en ik snijd me. Snel stop ik de vinger in mijn mond en proef de zoute, metallen smaak van bloed. Het wonderbaarlijke, dat blijft vloeien. Het hart dat blijft kloppen. En dan stopt. Zoals het hart van haar grootmoeder, de meest belangrijke persoon in haar leven. Zoals haar hart, het hart van mijn grootmoeder.